Mission Statement OGC-UCLA

Home

 

I Achtergronden

 

In het najaar van 1999 sloten de Universiteit Utrecht, in het bijzonder het Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (OGC), en de University of California, at Los Angeles (UCLA), in het bijzonder de afdelingen Humanities en Social Sciences, een samenwerkingsovereenkomst.

Het belangrijkste terrein waarop de samenwerking zal plaatsvinden, kan omschreven worden als ‘De Nederlandse Cultuur’ in de breedste zin van het woord. De belangstelling hiervoor in de Verenigde Staten is groot en groeiende, zoals alleen al moge blijken uit stijgende aantallen studenten bij universiteiten waar Nederlands wordt gedoceerd (onder andere aan de University of Wisconsin Madison en de University of California Berkeley). Het hoeft in dit licht geen verwondering te wekken dat ook bij UCLA, een van de topuniversiteiten in de Verenigde Staten, de behoefte aan samenwerking op dit gebied groot is.

Er zijn vier belangrijke en ook omvangrijke vakgebieden gelocaliseerd waarop de samenwerking zich in eerste instantie zal gaan richten, vakgebieden die binnen het OGC tevens als zwaartepunten kunnen worden aangemerkt, waarbij uitdrukkelijk de mogelijkheden voor uitbreiding open worden gehouden.

Geschiedenis: het OGC kent een belangrijke groep historici, van mediëvisten tot en met contemporaine historici. Met name de Cultuurgeschiedenis heeft in de afgelopen jaren een hoge vlucht genomen. Binnen het Department of History - dat tot de top vijf in de Verenigde Staten behoort - heeft UCLA de cultuurhistorische kant van het onderwijs en onderzoek recentelijk versterkt door het aantrekken van twee eminente geleerden, prof. Margaret Jacob en prof. Lynn Hunt, beiden actieve steunpilaren in de samenwerking met het OGC, waarbinnen met name prof. Wijnand Mijnhardt als teamleider fungeert. Binnen het hier beschreven domein past tevens de bestudering van de (post)koloniale problematiek, waar voor het OGC dr. Elsbeth Locher-Scholten actief is en voor UCLA de pas benoemde, oorspronkelijk uit Australië afkomstige geleerde prof. Anthony Reid.

Kunstgeschiedenis: dat de kunstgeschiedenis in Nederland internationale belangstelling geniet, behoeft weinig betoog. Het OGC neemt hierin een sterke positie in, zoals alleen al moge blijken uit het feit dat het penvoerderschap van de landelijke Onderzoekschool Kunstgeschiedenis daar berust. Prof. Peter Hecht is niet alleen directeur van de Onderzoekschool, maar tevens leider van de kunsthistorische samenwerking met UCLA. In dit verband moet ook worden vermeld dat het Research Center van het J.P. Getty Museum in Los Angeles inmiddels een actieve partner in het geheel is.

Nieuwe media en Gender: ook hier geldt dat het OGC een sleutelpositie inneemt, onder andere door het penvoerderschap dat het voert voor de Nationale Onderzoekschool Vrouwenstudies. Het gaat hier om een terrein dat internationaal sterk in de belangstelling staat en dat ook op UCLA een van de zwaartepunten vormt. De samenwerking zal worden ingepast in de bestaande overeenkomst met de UC Santa Barbara, een overeenkomst die door NWO vorig jaar met een maximale financiële toekenning werd gehonoreerd. Teamleider prof. Rosi Braidotti staat garant voor nationale, maar zeker niet minder internationale uitstraling.

Letterkunde: binnen het OGC zijn negen leerstoelhouders op het gebied van de Moderne Letterkunde actief, van Romanistiek tot Neerlandistiek, inclusief de Theoretische en Vergelijkende Literatuurwetenschap. De overeenkomst met UCLA sluit naadloos aan bij eerdere samenwerkingsovereenkomsten die op dit terrein zijn gesloten met drie andere universiteiten binnen het federale systeem van de University of California, te weten Berkeley, Riverside en Irvine. Teamleiders zijn hier prof. Wiljan van den Akker, met name vanwege zijn functie als leerstoelhouder Moderne Nederlandse Letterkunde, en prof. Hans Bertens, de leerstoelhouder voor theoretische en vergelijkende literatuurwetenschap.

II Doelstellingen

De samenwerking met UCLA kent twee hoofddoelstellingen: een academische en een publieke.

De academische doelstelling. Het OGC en UCLA zijn overeengekomen dat er de komende jaren intensief op de vier hierboven genoemde terreinen zal worden samengewerkt. Concreet betekent dit onder andere: het regelmatig uitwisselen van hooggekwalificeerde (senior)onderzoekers die aan beide instellingen onderwijs zullen verzorgen op het niveau van de Tweede Fase (Graduate). De onderwerpen zullen voortkomen uit en dus samenhangen met onderzoeksprojecten waarin beide partijen actief zijn, zodat ook het gezamenlijk organiseren van conferenties en expert-meetings op het programma staan.

Daarnaast zullen beide instellingen uitwisseling mogelijk maken van promovendi (graduates) en postdocs, die gedurende een substantiële periode en onder de hoede van een van de senior-onderzoekers/teamleiders van het programma bij het partnerinstituut zullen kunnen verblijven ten behoeve van hun onderzoek (waarbij de mogelijkheid tot het verzorgen van onderwijs beslist niet wordt uitgesloten).

Op dit moment worden de mogelijkheden voor een gezamenlijk promotieprogramma (Joint Ph-D Program) tussen UCLA en OGC serieus verkend. De eerste kandidaten die hierin geïnteresseerd zijn, hebben zich inmiddels aangemeld.

UCLA heeft de toezegging gedaan dat er een geheel nieuw programma in het leven wordt geroepen, getiteld ‘History of the Low Countries’.

De publieke doelstelling. Beide samenwerkende instituten erkennen ten volle dat de Geesteswetenschappen zeker in het tegenwoordige tijdsgewricht een belangrijke en misschien wel: nieuwe rol hebben te vervullen. Zij zijn het erover eens dat de nogal eens heersende defensieve houding, gekenmerkt door gevoelens van crisis, in dit opzicht onvruchtbaar is. Zij gaan er liever van uit dat waar een samenleving aan verandering onderhevig is, ook en misschien wel met name de Geestesweteschappen op hun dynamiek en flexibiliteit zullen worden aangesproken. Het OGC heeft in dezen een initiatief genomen door het opzetten van een onderzoeksprogramma getiteld ‘Scenario’s voor de Geesteswetenschappen’ (‘Scenarios for the Humanities’), dat onlangs van start is gegaan. Dat er van Amerikaanse en met name Californische zijde grote belangstelling hiervoor bestaat, moge blijken uit het feit dat naast UCLA, ook Berkeley, Irvine, Riverside en het Getty een actieve rol hierin spelen.

Het terrein is te breed om hier een volledig overzicht te geven. Volstaan wordt met enkele voorbeelden.

Niet alleen in Nederland, maar met name ook in de Verenigde Staten heeft de vraag naar de rol die kennis van de geschiedenis speelt, een wijdverbreide en publieke impact gekregen. Wat leren onze kinderen op de middelbare school wel en wat niet? Wat zouden ze moeten leren in een samenleving die steeds meer eisen aan deelname aan het proces van globalisering gaat stellen? Welke rol spelen processen van de-kolonisatie hierin? Welke initiatieven zijn daarvoor noodzakelijk en wie neemt ze? Het zijn slechts enkele problemen die om een gezamenlijke aanpak vragen. De beide instituten zijn dan ook van plan andere Europese partnerinstituten in deze problematiek te betrekken.

Op het gebied van de kunstgeschiedenis staat de problematiek van conserveren en tentoonstellen op dit gebied centraal in de (internationale) belangstelling. Wat moet er bewaard worden en voor wie? Hoe maken we het publiek bekend met de (inter)nationale culturele erfenis, in een tijd waarin nieuwe media een steeds belangrijkere rol zijn gaan spelen? De samenwerking met Californië heeft op dit gebied al vergaande initiatieven ontplooid in nauwe relatie met het Research Center van het J.P. Getty Museum (dat overigens nauwe banden onderhoudt met de University of California).

Een vergelijkbare problematiek kan gevonden worden binnen de letterkunde. In hoeverre staat de canon nog steeds onder vuur? Welke invloed heeft het proces dat tegenwoordig wordt aangeduid als ‘ontlezing’ in een toenemende beeldcultuur? Wat zijn de effecten van de overgang van een meer traditionele overdracht van letterkundige kennis naar een meer op ‘Cultural Studies’ gerichte benadering? Ook hier is de vraag naar welke initiatieven nodig zijn en wie hierin het voortouw zou moeten nemen, buitengewoon urgent. Als illustratie hiervoor kan dienen het initiatief dat het Standing Committee for the Humanities, voor Nederland vertegenwoordigd door prof. Wiljan Van den Akker, onlangs nam om aan dit onderwerp een Euroconference te wijden.

Het bovenstaande geeft slechts enkele voorbeelden van een brede, internationaal geörienteerde problematiek, die als motto een uitspraak van Gerald Graff mee zou kunnen krijgen: ‘When what educated persons should know is deeply disputed, the dispute itself becomes part of what an educated person should know’.
 

III Middelen

 

Het OGC en UCLA zijn overeengekomen dat bovengenoemde doelstellingen met de volgende middelen zouden kunnen worden verwezenlijkt:

  1. Het instellen van een wisselleerstoel ‘History and Culture of the Low Countries’;
  2. Het instellen van een (een- of twee-)jaarlijkse lezingenserie;
  3. Het organiseren van conferenties en workshops op de terreinen zoals die hier zijn omschreven, zowel voor een academisch als voor een niet-academisch publiek;
  4. Het organiseren van tentoonstellingen. Concrete plannen bestaan er inmiddels voor het onderwerp van de vroege geschiedenis van de Nederlandse uitgeverij in het kader van de vrijheid van meningsuiting, een terrein waarop de bibliotheek van UCLA een wereldberoemde collectie bezit. Deze tentoonstelling zou in 2003 samen kunnen vallen met het internationale congres van de Societies for Eighteenth Century Studies, waarbij naar verwachting zo’n vijftien- à zestienhonderd deelnemers vanuit de hele wereld aanwezig zullen zijn. Voorts wordt gedacht aan een manifestatie op het gebied van de film, aangezien het Nederlands Filmmuseum een unieke collectie zeer vroege films bezit en Los Angeles uiteraard op dit moment de hoofdrol speelt binnen de filmindustrie.

 

Contract

Former Students &

Faculty

Visa

Housing

Transport

Photo Gallery

Dutch Language Training